Het reisverbod – Ismail Kadare

Ismail Kadare heeft mijn hart gestolen. Het is buitengewoon boeiend om enkele dagen na het dichtslaan van De generaal van het dode leger, zijn debuutroman uit 1963, te kunnen beginnen aan Het reisverbod, bijna een halve eeuw later geschreven. Behalve het verschil tussen een straffe debuutroman en een roman van een zeer ervaren schrijver is er nog een tweede onderscheid. Het debuut werd geschreven in volle communistische periode. Het tweede bijna 20 jaar nadat het ijzeren gordijn ook in Albanië gesloopt was.

Kadare kan het Reisverbod dus schrijven zonder dat De Grote Leider over zijn schouder meekijkt, en dat is er duidelijk aan te merken. Het boek begint wanneer Rudian Stefa, een meer gedoogd dan gevierd toneelschrijver, zich naar het het hoofdkwartier van de partij spoedt, waar hij gesommeerd is om uitleg te geven over … ja, over wat eigenlijk.

Het begin van 3 verhaallijnen die in Kadarestijl verteld en met elkaar verweven worden. Zeer droge vertelstijl, zonder één woord te veel. Humor die doet grijnzen, terwijl je tenen tegelijkertijd opkrullen, en verhaallijnen de geleidelijk aan versmelten richting een absurde, bijna magisch-realistische climax.

Verhaallijn 3 is de beschrijving van de achtergrond: het communistische Albanië met een pijnlijke neutrale, detaillistische beschrijving van alle mogelijke en onmogelijke regeltjes, de mensen die ze toepassen en straffen bij overtreding, en de manier waarop mensen met een vanzelfsprekendheid met deze regeltjes omgaan.

Verhaallijn 2 verhaalt de carrière van toneelschrijver Rudian Stefa, die – los van alles wat hem verder overkomt – toch vooral bezorgd is over de redenen waarom zijn huidig toneelstuk na de première geen vervolg kent, en waarom zijn volgend toneelstuk zo lang blijft hangen bij de censuurcommissie. Het interessante is dat we enkele toneelfragmenten kunnen lezen die absoluut geen goesting geven om ooit het toneelstuk te zien. Ze voldoen waarschijnlijk aan alle wetten van het socialistisch realisme, maar deftig toneel zal het niet opleveren. En zo evolueert de figuur van Rudian Stefa van een artiest die vecht voor zijn vrijheid tot een meelijwekkende dienstschrijver, zeker ook omdat:

verhaallijn 1: het privéleven van ons hoofdpersonage de belangrijkste verhaallijn is. Ooit stond Migena aan te schuiven in de rij, om een boek van de Stefa door de auteur te laten onderteken, met opdracht. Niet voor zichzelf, maar voor Linda B. een vriendin. Linda heeft een ongezonde Tirana- en vooral Stefafixatie, deels het gevolg van een reisverbod dat haar en haar ‘gedeclasseerde’ familie te beurt valt. Migena speelt de rol van doorgeefluik en wordt daar niet vrolijk van. Ze weigert dit ook op te biechten aan Stefa.

Tot hier toe geen probleem, ware het niet dat Linda B. zelfmoord pleegt. In 1981. Vlak na de zogezegde (*) zelfmoord van premier Mehmet Shehu en de cascade aan complottheorieën die daarop volgt. De veiligheidsdiensten zijn dus in rep en roer en zoeken dit uit tot op het bot … tot het onderzoek stilvalt.

Eigenlijk heb ik hiermee al veel over het verhaal verteld, maar het is zo mooi opgebouwd, en zo goed geschreven dat dit het leesplezier niet zal wegnemen. De mystieke component is goed gevonden (Migena is een anagram van Enigma, Orfeus en Euridice zijn nooit ver weg), maar je hoeft de oude mythes niet te kennen, om van dit boek te genieten.

Van mij hoeft niet iedereen opeens Albanië te bezoeken, maar een Kadare ter hand nemen, bij voorbeeld dit Reisverbod, raad ik echt iedereen aan.

Deze zomer stonden Adelheid en ik voor het Kadare House in Gjirokastër (Albanië).

(*) een zeer pijnlijke farce. Het is de moeite waard om de details eens op te zoeken, om te leze hoe Hoxha zich ontdoet van iemand met wie hij decennia lang zeer nauw samenwerkte.



Wil je op de hoogte blijven van mijn plannen voor morgen of overmorgen? Of misschien zelfs die van vandaag? Schrijf je in op mijn Nasbrief.